Slechts 1 op de 5 statushouders werkt, maar minister Aartsen wil dat veranderen met 75.000 nieuwe banen

Slechts 1 op de 5 statushouders werkt, maar minister Aartsen wil dat veranderen met 75.000 nieuwe banen

2026-06-05 binnenland

Den Haag, vrijdag, 5 juni 2026.
Van de 81% werkende Nederlanders staat slechts 21% van de statushouders aan het werk. Het kabinet wil dat ombuigen met startbanen in bouw, horeca en logistiek.

Den Haag: startbanen als sleutel

Den Haag schudde donderdag 4 juni 2026 de beleidswereld wakker. Minister Thierry Aartsen van Werk en Participatie stuurde de Tweede Kamer een brief met een helder doel: de komende vier jaar — van 2026 tot 2030 — moeten 75.000 statushouders en kansrijke asielzoekers aan het werk [1][2]. Het wapen? De zogeheten ‘startbaan’. Geen ingewikkeld traject, maar gewoon aan de slag in de bouw, logistiek of horeca — sectoren waar ze nu al mensen tekort komen [6]. Ruim 80 gemeenten doen mee aan dit initiatief [2]. Ter vergelijking: in het tweede kwartaal van 2025 werkte gemiddeld 81 procent van de Nederlandse bevolking [1]. Van statushouders die in 2021 een verblijfsvergunning kregen, had na twee jaar slechts 21 procent betaald werk [1][2][6]. Dat verschil — 60 procentpunt — is niet mis. Aartsen zei het zelf kernachtig: ‘Betaald werk moet de standaard worden. Nieuwkomers hebben talenten. Zij kunnen én willen werken. Het is een gemiste kans dat zoveel mensen geen baan hebben.’ [1]

Taal en diploma’s: de hobbels worden aangepakt

Waarom lukt integratie op de arbeidsmarkt zo moeizaam? De Algemene Rekenkamer legde in januari 2026 de vinger op de wond: lange asielprocedures, woningtekorten en taalobstakels remmen de arbeidsparticipatie af [1]. Buitenlandse diploma’s worden in Nederland vaak niet erkend — een Syrische elektricien kan hier zomaar jaren stilzitten terwijl de bouw staat te springen om vakmensen [GPT]. Aartsen wil dat aanpakken met een nieuw traject dat werkervaring en opleidingen uit het herkomstland omzet naar Nederlandse maatstaven [1][6]. Daarnaast wordt werken tijdens de inburgeringsfase de standaard: tot vier dagen per week [1][6]. Al in april 2026 schreef Aartsen aan de Kamer over de inzet van startbanen voor statushouders die zich net in een gemeente hebben gevestigd [1]. En sinds circa juni 2023 loopt er al een driejarige proef in Amsterdam, Rotterdam en Eindhoven — in logistiek, horeca en bouw — voor nieuwkomers die het Nederlands nog niet goed beheersen [1]. De vroege cijfers zijn hoopgevend: waar in 2014 slechts 1 procent van de nieuwe statushouders na drie maanden werk had, was dat in 2024 al gestegen naar 13 procent [3]. Dat is een stijging van 1200 procent.

Na de zomer volgt de uitwerking — en de echte test

Het plan klinkt solide, maar de details moeten nog worden uitgewerkt. Na de zomer van 2026 gaat Aartsen in gesprek met werkgevers en brancheorganisaties om concrete afspraken te maken over werkplekken [1][2][7]. Dan volgt ook de verdere uitwerking van het plan ‘Werk en meedoen voor nieuwkomers’ [2]. De vraag is of werkgevers zitten te wachten op nieuwkomers die de taal nog niet spreken. De praktijk van de startbaanproef in de drie grote steden wijst voorzichtig van wel [1]. Wie geduld heeft, ziet ook dat de cijfers verbeteren: van de statushouders die in 2014 een vergunning kregen, werkte na zeven jaar ruim de helft [3]. Bij jonge mannen tussen de 18 en 35 jaar lag dat aandeel zelfs boven de 70 procent [3]. Na acht jaar stijgt de arbeidsparticipatie van statushouders naar 57 procent [1][6] — nog altijd ver onder het nationale gemiddelde van 81 procent [1][2], maar geen reden voor wanhoop. Het kabinet wil die klim versnellen. Of dat lukt, weten we na de zomer meer.

Bronnen


statushouders arbeidsintegratie