bijna de helft van de huizen in deze dorpen gaat naar buitenstaanders – en dat voel je
Staphorst, zondag, 14 juni 2026.
In Staphorst en Kaag en Braassem kopen steeds meer mensen van buiten een huis. In 2025 was maar liefst 36 tot 47 procent van de kopers niet lokaal. Dat drijft de prijzen op en maakt het lastig voor starters. Een huis in Staphorst kost nu gemiddeld €435.000, terwijl dat begin 2025 nog €432.000 was. In Kaag en Braassem betaalden buitenstaanders vorig jaar zelfs €64.000 meer dan lokale kopers. Het Kadaster nuanceert: het gaat niet alleen om overwaarde uit de stad, maar ook om het type woning. Toch blijft het effect hetzelfde: minder kans voor wie er al woont. En dat verandert de sfeer in het dorp.
stijgende prijzen, verdwijnende kansen
In Staphorst betaal je nu gemiddeld €435.000 voor een huis. Dat is €3.000 meer dan begin 2025 0.694 procent stijging [1]. In Kaag en Braassem ging de prijs vorig jaar zelfs met €9.000 omlaag naar €563.000, maar buitenstaanders betaalden daar gemiddeld €64.000 meer dan lokale kopers [2]. Het Kadaster waarschuwt: vergelijk je appels met appels? Misschien kochten die buitenstaanders gewoon grotere huizen. Toch blijft het effect hetzelfde. Elke woning die naar een buitenstaander gaat, is er één minder voor starters. En die starters staan al met lege handen. In Staphorst is het aandeel kopers van buiten de gemeente gestegen naar 36 procent [1]. In Kaag en Braassem zelfs naar 47 procent [2]. Ter vergelijking: landelijk blijft 58 procent van de kopers binnen de eigen gemeente wonen [2]. Tien jaar geleden was dat nog meer [2]. De trend is duidelijk: Nederlanders verhuizen verder en vaker. En dat voel je in dorpen als Staphorst en Kaag en Braassem. De sfeer verandert. De buurtsuper krijgt een nieuwe eigenaar uit de stad. De voetbalclub krijgt leden die nog nooit een koe van dichtbij hebben gezien. En de lokale bakker vraagt zich af of hij zijn prijzen moet verhogen, want die nieuwe buren kunnen het blijkbaar betalen.
van stad naar platteland: een landelijke trend
Deze verschuiving is geen toeval. Sinds corona hoeven steeds meer mensen niet meer dagelijks naar kantoor [2][3]. Het Kadaster ziet het al jaren: Nederlanders verhuizen verder. Inwoners van Kaag en Braassem die in 2024 verhuisden, kwamen gemiddeld bijna 16 kilometer verderop terecht [2]. In Opmeer was dat ruim 14 kilometer [3]. En dat terwijl het landelijk gemiddelde voor buiten-gemeentelijke kopers op 42 procent ligt [2][3]. Matthieu Zuidema, woningmarktexpert, noemt het een ‘momentopname’ [1][2][3]. Maar voor lokale starters voelt het als een structureel probleem. Zij zien hun kansen verdampen terwijl de prijzen stijgen. In Opmeer betaalden buitenstaanders vorig jaar gemiddeld zelfs €1.000 minder dan lokale kopers [3]. Maar ook daar waarschuwt het Kadaster: kijk naar het type woning. Misschien kochten lokale kopers gewoon duurdere huizen. Toch blijft het knellen. Want elke woning die naar een buitenstaander gaat, komt niet vrij voor een starter. En nieuwbouwprojecten zoals Herenhof in Nieuwegein – waar momenteel zes woningen verrijzen – zijn schaars [4]. De bouwkeet staat er, de daken zijn dicht, maar voor wie zijn die huizen eigenlijk? Voor de lokale verpleegkundige of voor de Amsterdamse IT’er die thuis werkt?
wat betekent dit voor jou?
Als je in Staphorst of Kaag en Braassem woont, voel je het al. De huizen worden duurder, de sfeer verandert. Maar ook als je elders in Nederland woont, kan dit jou raken. Want deze trend speelt in steeds meer gemeenten. In Opmeer kwam vorig jaar 48 procent van de kopers van buiten de gemeente [3]. Landelijk daalde het aandeel kopers dat binnen de eigen gemeente blijft van 65 procent in 2014 naar 58 procent nu [2]. En dat terwijl de gemiddelde afstand tussen oude en nieuwe woning groeit. Voor starters betekent dit minder kansen. Voor huizenbezitters betekent het stijgende prijzen. En voor dorpen betekent het een verandering van karakter. De vraag is: hoe lang blijft het ‘jouw’ dorp als bijna de helft van de huizen naar buitenstaanders gaat? De woningmarkt is geen abstract begrip. Het is de slager op de hoek die zijn huur niet meer kan betalen. Het is de jonge leraar die bij zijn ouders blijft wonen. Het is de voetbalclub die leden verliest omdat er geen betaalbare huizen meer zijn. En het is de IT’er uit Amsterdam die in zijn nieuwe dorp vraagt waar de Starbucks is. Zuidema heeft gelijk: het is een momentopname. Maar voor veel Nederlanders voelt het als het begin van het einde van hun dorp zoals ze het kennen.