Vrijwilligster krijgt doodsverwensingen na lintje voor vluchtelingenhulp
Nieuwegein, zondag, 18 januari 2026.
Corrie van de Kant uit Nieuwegein ontvangt haatreacties nadat ze alsnog een koninklijke onderscheiding kreeg voor haar vrijwilligerswerk.
Van weigering tot onderscheiding in Nieuwegein
De 77-jarige Corrie van de Kant uit Nieuwegein kreeg een halfjaar geleden te horen dat ze geen koninklijke onderscheiding zou ontvangen [1][6]. Minister Marjolein Faber weigerde lintjes uit te delen aan vrijwilligers die vluchtelingen helpen [1][6]. Van de Kant noemt deze beslissing ‘schandalig’ [1][6]. Ze ontving de onderscheiding uiteindelijk wel voor haar vrijwilligerswerk bij Vluchtelingenwerk [1][6]. Maar de vreugde sloeg snel om. Sinds het nieuws over haar lintje bekend werd, stromen de haatreacties binnen [1][6]. ‘Soms durf ik niet eens meer te zeggen dat ik vluchtelingen help’, zegt Van de Kant [1][6].
Doodsverwensingen via internet
De reacties zijn venijnig. ‘Ze is hersendood’, ‘neem er zelf maar één in huis’, en ‘ga eens praten met de ouders van Lisa’ zijn nog de minst erge commentaren [6]. Sommige mensen hopen zelfs dat ze een hartaanval krijgt [1]. Dit raakt Van de Kant extra hard omdat haar zusje overleed aan een hartstilstand [6]. ‘Ze zetten die doodsverwensingen gewoon op het internet’, vertelt ze [6]. Voor iemand die al tien jaar de familie Sohani uit Eritrea begeleidt, voelt dit als een klap in het gezicht [1][6]. Een jaar geleden verloor dit gezin hun elfjarige dochter [1][6]. Dinsdag 20 januari 2026 staat er een rechtszaak gepland waarbij Van de Kant als steun aanwezig zal zijn [1][6].
Onbegrip over werkelijke hulp
Van de Kant ergert zich aan de vooroordelen over statushouders. ‘Gratis geld bestaat niet. Die mensen doen zo ontzettend hun best’, benadrukt ze [6]. Ze vertelt over een Turks gezin dat op elk keukenkastje een Turks woord met Nederlandse vertaling had geplakt [6]. ‘Ze zien niet wat voor mooi werk wij doen, dat veel verder gaat dan alleen een kopje thee inschenken’, legt ze uit [1]. Van de Kant wilde minister Faber uitnodigen om haar werk te bekijken [6]. ‘Mensen weten vaak niet eens wat ik doe. Terwijl mijn werk zo ontzettend mooi kan zijn’, zegt ze [6]. De zaak toont de diepe verdeeldheid in Nederland over vluchtelingenhulp.