wie arm is, krijgt in nederland vaker de cel in – en dat is geen toeval

wie arm is, krijgt in nederland vaker de cel in – en dat is geen toeval

2026-06-17 binnenland

Den Haag, woensdag, 17 juni 2026.
Een verdachte zonder vaste baan of koophuis krijgt gemiddeld 18 dagen langer de cel in dan iemand met een goed inkomen. Dat blijkt uit een groot WODC-onderzoek naar 2,5 miljoen strafzaken. Het verschil zit niet alleen in de strafmaat: wie meer privileges heeft, komt vaker weg met een boete of taakstraf – en als het toch tot een rechtszaak komt, is de uitspraak milder. Het onderzoek laat zien dat het strafrecht structureel harder uitpakt voor mensen met een lagere sociaaleconomische positie. Rechters en officieren van justitie wegen persoonlijke omstandigheden mee, maar die ‘maatwerk’ blijkt vooral gunstig uit te pakken voor wie al meer heeft. Het WODC roept op tot verandering, want ongelijke behandeling ondermijnt het vertrouwen in de rechtspraak.

den haag, 17 juni 2026 – de cijfers liegen er niet om

Stel je voor: twee mensen plegen hetzelfde delict. De een heeft een vaste baan, een koophuis en een hbo-diploma. De ander is werkloos, huurt een kamer en heeft alleen vmbo gedaan. De kans is groot dat de tweede persoon 18 dagen langer achter de tralies verdwijnt [1]. Dat is geen toeval, maar een structureel probleem in het Nederlandse strafrecht, blijkt uit onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC). Het centrum analyseerde 2.541.611 strafzaken tussen 2006 en 2022, met in totaal 1.197.791 verdachten. De conclusie? Wie minder heeft, krijgt meer straf. Verdachten met de zwakste sociaaleconomische positie krijgen niet alleen vaker een celstraf, maar ook een zwaardere: gemiddeld 18 dagen extra onvoorwaardelijke gevangenisstraf, 36 uur extra taakstraf of 900 euro meer boete [1]. Ter vergelijking: een gemiddelde geldboete voor een vergelijkbaar delict ligt rond de 400 euro voor mensen met een sterkere positie [2]. Het verschil zit niet alleen in de cijfers. Wie een vast inkomen heeft, komt vaker weg met een boete of taakstraf. Wie geen baan heeft, eindigt vaker voor de rechter – en krijgt dan een zwaardere straf [3]. Het WODC benadrukt dat dit geen bewuste discriminatie is, maar een optelsom van kleine beslissingen door politie, officieren van justitie en rechters. Zo wegen persoonlijke omstandigheden mee bij strafoplegging, maar blijkt dat ‘maatwerk’ vooral gunstig uit te pakken voor wie al meer privileges heeft [1].

hoe komt dit? het systeem werkt tegen wie het al moeilijk heeft

Het begint al bij de eerste aanraking met de politie. Verdachten zonder vast woonadres krijgen vaker een voorlopige hechtenis opgelegd [3]. Tijdens verhoren spelen communicatieve vaardigheden een rol: wie zich beter kan uitdrukken, heeft meer kans op een mildere straf [1]. Bij het Openbaar Ministerie (OM) wordt de zaak vaak al afgedaan met een strafbeschikking – maar dat gebeurt vaker bij mensen met een sterkere sociaaleconomische positie. Wie minder heeft, komt vaker voor de rechter, waar de straffen gemiddeld hoger uitvallen [3]. Rechters en officieren van justitie zeggen persoonlijke omstandigheden mee te wegen, maar in de praktijk blijkt dat vooral gunstig uit te pakken voor wie een baan of een koophuis heeft. Persrechter Jacco Jansen legt uit: “Als we twijfelen tussen een gevangenisstraf of een taakstraf, proberen we mensen met een baan die baan te laten behouden. Als we die weghalen, zijn we misschien verder van huis” [4]. Het probleem? Wie geen baan heeft, valt buiten die logica. Ook opleidingsniveau speelt een rol: verdachten met een migratieachtergrond en een lage opleiding krijgen bijna drie keer vaker een gevangenisstraf voor hetzelfde delict dan hoogopgeleide verdachten zonder migratieachtergrond [1]. Het WODC noemt dit geen onwettige discriminatie, maar wel een structureel probleem dat het vertrouwen in de rechtspraak ondermijnt [1].

wat nu? het wodc wil verandering – maar hoe?

Het WODC presenteert tien concrete aanbevelingen om de ongelijkheid in het strafrecht aan te pakken [1]. Zo moeten professionals in de strafrechtketen trainingen volgen om vooroordelen te herkennen en empathischer te communiceren. Ook pleit het centrum voor een herziening van risicomodellen die toekomstig crimineel gedrag voorspellen – deze modellen blijken vaak nadelig uit te pakken voor mensen met een lagere sociaaleconomische positie [5]. Daarnaast wil het WODC dat zaken ‘blinder’ worden behandeld: minder nadruk op persoonlijke omstandigheden, meer op de feiten. Ook moet er strengere motivering komen voor strafbeslissingen, zodat rechters en officieren van justitie beter uitleggen waarom ze voor een bepaalde straf kiezen [1]. Tot slot pleit het WODC voor structurele monitoring van strafrechtelijke uitkomsten, om te zien of de ongelijkheid afneemt. Of deze maatregelen voldoende zijn, is nog de vraag. Want zoals het WODC zelf stelt: “De optelsom van factoren leidt tot aanzienlijke verschillen in strafhoogte tussen groepen verdachten” [1]. Voorlopig blijft het dus zo: wie arm is, krijgt in Nederland vaker de cel in – en dat is geen toeval, maar een systeemfout.

Bronnen


klassenjustitie strafrecht