Hoe belandde Tamar na de aanrijding netjes gestrekt in de berm?
Nederland, zondag, 31 mei 2026.
Een agent omschreef het als ‘alsof ze was opgebaard’. Dat beeld staat centraal in de strafzaak tegen de bestuurder die in 2020 doorreed.
Zeedijk bij Monnickendam: een meisje in de berm
In de nacht van 24 op 25 juli 2020 vonden agenten de 14-jarige Tamar in de berm van de Zeedijk tussen Marken en Monnickendam [1]. Ze lag er opvallend gestrekt, ledematen netjes naast haar lichaam. Een van de agenten omschreef het later als: “Alsof ze was opgebaard” [1]. Dat detail klinkt misschien klein, maar het is het hart van een zaak die Nederland al zes jaar bezighoudt. Tamar was aangereden door een Mazda 3, bestuurd door Jamal T. Hij reed door — samen met drie inzittenden, allen asielzoekers in Duitsland [1]. De volgende ochtend vertrokken ze naar Duitsland. De auto werd gewassen. Twee maanden later stond hij te koop [1]. In juni 2021 sloot het Openbaar Ministerie de zaak af met een boete van 1.500 euro voor Jamal T. wegens onvoorzichtig rijgedrag. Geen aanwijzingen voor slepen, concludeerde het OM destijds [1]. Daarmee leek de zaak klaar. Maar de familie van Tamar dacht daar heel anders over.
Vier jaar later: de rechter grijpt in
Advocaat Sébas Diekstra stapte namens de nabestaanden naar de rechter via een zogeheten artikel-12-procedure — een juridische route waarbij burgers het OM kunnen dwingen toch te vervolgen [GPT]. Die procedure slaagde. Na vier jaar aanvullend onderzoek staat nu vast: Jamal T. wordt strafrechtelijk vervolgd voor betrokkenheid bij een dodelijk verkeersongeval én het verlaten van de plaats van het ongeval [1]. De spil in dat onderzoek is de vraag hoe Tamar daar zo netjes in de berm lag. Forensisch patholoog Frank van de Goot stelde op verzoek van Diekstra een rapport op voor het OM. Zijn conclusie is opvallend stellig voor een vakgebied dat zelden in absolute termen spreekt: hij sluit uit dat Tamar met haar verwondingen zelf naar de berm is gekropen [1]. “Het is niet de gewoonte voor een forensisch rapporteur om te vervallen in absolutisme, maar wellicht dat dit in deze zaak en bij deze vraag te verantwoorden is,” schreef Van de Goot [1]. Een patholoog van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) nuanceerde dat de interne verwondingen niet onmiddellijk tot handelingsonbekwaamheid of de dood hoeven te hebben geleid [1]. Onderzoekers hebben zelfs de mogelijkheid bekeken of Tamar zichzelf heeft verplaatst. Ook dat scenario hield geen stand [1].
Wat nu: een strafzaak die antwoorden moet geven
Diekstra is helder over wat de bewijzen aantonen: “Uit de aangetroffen sporen en bevindingen van deskundigen blijkt dat de eindpositie waarin Tamar is aangetroffen niet door het ongeval zelf kan worden verklaard. Concrete aanwijzingen voor een alternatief scenario ontbreken. Men moet ervan uitgaan dat haar lichaam na de aanrijding is versleept, dan wel verplaatst” [1]. De exacte toedracht is op zondag 31 mei 2026 nog altijd niet vastgesteld — het strafrechtelijk onderzoek loopt [1]. De exacte datum van de strafzitting is niet vermeld in de beschikbare bronnen. Wat wel vaststaat: de zaak-Tamar legt een pijnlijk vraagstuk bloot. Hoe kon een meisje vijf jaar lang wachten op gerechtigheid, terwijl de eerste conclusie van het OM neerkwam op een verkeersboete ter waarde van een gemiddelde parkeerbon op de Amsterdamse grachten? De aankomende strafzaak moet dat rechtzetten. Voor de nabestaanden, maar ook voor iedereen die zich afvraagt of het Nederlandse rechtssysteem kwetsbare slachtoffers wel goed genoeg beschermt.